Storingslampjes auto: wat betekenen ze en wat moet je doen?

Storingslampjes in je auto vertellen je dat er iets niet klopt, van een kleine melding tot een serieuze waarschuwing die directe actie vraagt. Op je dashboard lichten ze op in verschillende kleuren, en die kleur zegt meteen hoe urgent de situatie is. Hieronder lees je welke lampjes het belangrijkst zijn, wat ze betekenen en wanneer je de auto beter niet meer rijdt.

Wat de kleuren van storingslampjes betekenen

De meeste auto’s gebruiken drie basiskleuren voor dashboardlampjes: rood, oranje/geel en groen/blauw. Rood betekent altijd: stop zo snel mogelijk of onderneem direct actie. Denk aan een lage oliedruk, een te hoge motortemperatuur of een onjuiste rem. Negeer een rood lampje nooit; rijden met een defect dat rood aangeeft kan leiden tot motorschade of een gevaarlijke situatie op de weg.

Oranje of geel lampjes zijn waarschuwingen die je serieus moet nemen, maar waarmee je in de meeste gevallen nog veilig naar een garage kunt rijden. Ze geven aan dat er iets aandacht nodig heeft, maar dat het niet direct gevaarlijk is. Groen en blauw zijn informatielampjes: ze vertellen je dat een systeem actief is, zoals de verlichting, de mistlampen of de cruisecontrol. Die vereisen geen actie.

De meest voorkomende storingslampjes in je auto

Hieronder staan de lampjes die je het vaakst tegenkomt, met uitleg over de oorzaak en wat je het beste kunt doen.

  • Motorstoring (geel motorblok-symbool): Dit lampje, ook wel de “check engine” lamp genoemd, geeft aan dat het motormanagement een fout heeft gedetecteerd. Dat kan van alles zijn: een losse tankdop, een defecte sensor of een uitlaatprobleem. Rij naar een garage om de foutcode uit te lezen met een OBD-scanner. Brandt het lampje rood of knippert het? Rij dan niet verder.
  • Oliedruk (rood oliekankantje): De oliedruk is te laag. Stop de auto zo snel mogelijk en controleer het oliepeil. Rijden met te weinig oliedruk kan de motor binnen enkele minuten onherstelbaar beschadigen.
  • Motortemperatuur (rood thermometerje in water): De motor wordt te heet. Stop direct, zet de motor af en laat de auto afkoelen. Controleer daarna het koelvloeistofpeil. Rijden met een oververhitte motor veroorzaakt al snel een geblazen pakking of erger.
  • Accu/laadstroom (rood batterijsymbool): De accu wordt niet goed opgeladen. Dit kan komen door een defecte dynamo of een slechte accu zelf. Rij zo snel mogelijk naar een garage; de auto kan onderweg uitvallen als de accu leegloopt.
  • TPMS (gele band met uitroepteken): Een of meer banden hebben te weinig lucht. Controleer de bandenspanning zo snel mogelijk. Rijden met te lage bandenspanning verhoogt het risico op een klapband en verhoogt het brandstofverbruik.
  • Remwaarschuwing (rood uitroepteken in cirkel): Dit kan een handrem betekenen die nog aanstaat, maar ook een laag remstoelpeil of een remdefect. Controleer eerst de handrem. Staat die vrij en brandt het lampje nog steeds? Laat de remmen dan direct controleren.
  • ABS (geel “ABS”-lampje): Het antiblokkeersysteem werkt niet goed. Je kunt nog remmen, maar de auto kan bij een noodstop blokkeren. Rij voorzichtig en laat het systeem zo snel mogelijk controleren.
  • ESP/stabiliteitsprogramma (geel dansend auto-symbool): Brandt het lampje even tijdens het rijden? Dan is het systeem actief en dat is normaal. Blijft het branden? Dan is het ESP uitgeschakeld of defect. Rij rustig en laat het nakijken.
  • Airbag (geel mannetje met cirkel): Er is een storing in het airbag-systeem. De airbags werken mogelijk niet bij een botsing. Dit is een veiligheidsprobleem; laat het zo snel mogelijk nakijken.
  • Brandstof (geel tankje): De tank is bijna leeg. De meeste auto’s geven bij dit lampje nog een rijbereik van ruwweg 50 tot 80 kilometer aan, maar dat verschilt per auto en rijstijl. Rij op tijd naar een tankstation.

Wat te doen als er een storingslampje brandt

De eerste stap is altijd: kijk welke kleur het lampje heeft. Rood betekent direct stoppen of zo snel mogelijk een veilige plek opzoeken. Oranje of geel betekent: binnenkort naar een garage, maar je hoeft niet per se direct aan de kant. Weet je niet welk lampje het is? Zoek het op in het instructieboekje van je auto; elk merk en model gebruikt soms iets andere symbolen.

Bij een rood lampje dat je niet herkent, is het verstandig om de auto te stoppen en niet verder te rijden totdat je weet wat er aan de hand is. Bel zo nodig de pechhulp van de ANWB of je eigen wegenwacht. Bij een onbekend oranje lampje kun je nog voorzichtig doorrijden naar een garage, maar plan de afspraak dezelfde dag.

Laat foutcodes altijd uitlezen door een garage met een OBD-uitleesapparaat. Veel garages doen dit gratis of voor een kleine vergoeding. Zo weet je precies welk onderdeel de storing veroorzaakt en voorkom je onnodige reparaties.

Wanneer een storingslampje reset na reparatie

Sommige lampjes gaan vanzelf uit als het probleem is opgelost, zoals het bandenlampje nadat je de lucht op de juiste druk hebt gebracht. Andere lampjes, zoals de motorstoring, blijven branden totdat een garage de foutcode wist via een diagnosecomputer. Reset een lampje nooit zomaar zelf zonder de oorzaak aan te pakken; het probleem is dan nog steeds aanwezig, alleen zie je het niet meer.

Soms brandt een lampje even op bij het starten van de auto en dooft het daarna direct. Dat is een zelftest die de auto uitvoert en is volledig normaal. Blijft het daarna aan, dan is er wél iets mis.

Storingslampjes zijn er om je auto en jezelf te beschermen. Een rood lampje dat je negeert kan een reparatierekening van honderden euro’s opleveren, terwijl tijdig handelen het probleem vaak klein houdt. Ken de kleuren, herken de meest voorkomende symbolen en twijfel je? Rij dan altijd aan de kant of bel een professional.

Scroll naar boven