Gevarenlichten in je auto: wanneer zet je ze aan en wat zijn de regels?

De gevarenlichten van je auto zijn de vier knipperende richtingaanwijzers tegelijk. Je zet ze aan met de driehoekige knop op of naast het dashboard. Ze geven andere weggebruikers een waarschuwingssignaal: hier is iets aan de hand, wees voorzichtig. Maar wanneer gebruik je ze precies correct, en wanneer juist niet?

Wanneer zet je de gevarenlichten aan?

De gevarenlichten zijn bedoeld voor situaties waarin je een gevaar of hinder wilt aangeven aan andere weggebruikers. De meest voorkomende gevallen zijn:

  • Je staat stil of rijdt langzaam op een plek waar dat gevaarlijk is, bijvoorbeeld na een pech of ongeluk op de snelweg.
  • Je wordt getakeld of duwt een auto voort, waarbij het voertuig ongewoon langzaam rijdt.
  • Je staat tijdelijk stil om iemand in of uit te laten stappen op een drukke weg, hoewel dit per situatie en land verschilt.
  • Er is een plotselinge file of gevaarlijke situatie verderop op de snelweg, en je wilt de auto achter je waarschuwen.

Op de snelweg is het gebruik van gevarenlichten bij een plotselinge file of noodstop erg belangrijk. Je geeft zo aan het verkeer achter je dat er gevaar is voordat ze het zelf kunnen zien. Dit kan een kettingbotsing voorkomen.

Wanneer gebruik je gevarenlichten juist niet?

Veel mensen zetten de gevarenlichten aan tijdens hevige regen of dichte mist. Dat klinkt logisch, maar het is officieel afgeraden en in sommige situaties zelfs gevaarlijk. Als je de gevarenlichten aan hebt, kunnen andere bestuurders niet zien of jij links of rechts afsloeg. Je richtingaanwijzers werken niet meer zichtbaar. In de mist kun je beter je mistachterlichten gebruiken in plaats van de gevarenlichten.

Ook in een file die rustig doorrijdt is het gebruik van gevarenlichten niet nodig en kan het juist verwarrend werken. De gevarenlichten zijn bedoeld voor stilstaande gevaarlijke situaties, niet als standaard slecht-weerverlichting.

Gevarenlichten auto: de regels in Nederland

In Nederland zijn de regels voor het gebruik van gevarenlichten vastgelegd in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Je bent verplicht de gevarenlichten te gebruiken wanneer je stilstaat op een plek die gevaarlijk is voor andere weggebruikers, zoals op de rijbaan of de vluchtstrook van een snelweg. Gebruik je ze in een situatie waar dat niet van toepassing is, dan kun je in principe een boete krijgen voor verkeerd gebruik van verlichting, al wordt dit in de praktijk zelden beboet.

Naast de gevarenlichten ben je op de snelweg na een pech of ongeluk ook verplicht een gevarendriehoek te plaatsen op minimaal 30 meter achter je voertuig. Die combinatie, gevarendriehoek én gevarenlichten, geeft het sterkste signaal aan andere automobilisten.

Technisch: hoe werken de gevarenlichten?

De gevarenlichten laten alle vier de richtingaanwijzers tegelijk knipperen. Dit wordt aangestuurd door een aparte schakelaar, los van het stuur. De knop heeft altijd een rood of oranje driehoekje als symbool en is bewust makkelijk bereikbaar geplaatst, ook als het stuur gedraaid is of als je gestrest bent door een noodsituatie.

Bij moderne auto’s werken de gevarenlichten ook als het contact uit is. Dat is handig als je de auto verlaat na een pech of ongeluk: de lichten blijven knipperen zonder dat de motor aan hoeft. De accu gaat bij normaal gebruik hier niet snel van leeg, maar als je ze uren onnodig aan laat staan, kan de accu wel ontladen raken.

Gevarenlichten in het buitenland

In de meeste Europese landen gelden vergelijkbare regels voor het gebruik van de gevarenlichten. In Frankrijk en Duitsland worden ze bij een file of noodstop op de snelweg actief aangeraden. In sommige landen, zoals Spanje, is het gebruik bij pech wettelijk verplicht. Rij je door Europa, dan is het gebruik van gevarenlichten bij gevaarlijke stilstand overal de norm.

Let op: in bepaalde landen, waaronder Frankrijk, geldt dat je bij een ongeluk of noodstop ook verplicht een veiligheidsvest moet aandoen voordat je uitstapt. De gevarenlichten vervangen die verplichting dus niet.

Kort samengevat: zet de gevarenlichten aan als jouw auto gevaar of hinder vormt voor anderen, bijvoorbeeld bij pech, een noodstop of een gevaarlijke situatie op de weg. Gebruik ze niet als vervanging voor mistlichten en laat ze niet onnodig branden. Zo gebruik je ze zoals ze bedoeld zijn: als duidelijk en herkenbaar noodsignaal voor het verkeer om je heen.

Scroll naar boven